De vrouw die niets dan liefhad

Op een dag was ze daar:
de vrouw met de lichtlinnen jurk
die ontrafelt, al vallen me de draden
pas op als ik in haar armen lig.

“Mijn lief,
Dat ik de dagen om je spon om je lief te hebben.
In de cirkel waarin ik, nooit dichter noch verder,
tuimel, is geven het enige dat ik als minnen kan.”

Ze heeft een tafel (die van hout is) geletterd met zinnen,
van de pen die als ze mijn brief schrijft
door het papier in de nerven glijdt.
Elk woord doorschemert al die anderen,
wat me, als ze mijn hand op het blad legt,
ontroert.

“Elk etmaal ben ik minder wat ik zijn kan,
meer wat ik kan geven.”

De vrouw, die –trouwens– nu mijn vrouw is,
heeft een badkuip voor tuintje met
bij de stop een rozenstruik en daartegenover
een jasmijn die langs een bamboetak klimt.

“Als je zo kijkt, dan zie je me, bijna
met mij.”

In het licht van de aanstaande nacht knipt ze
een roos of jasmijn. Om de dag een andere. 
Ze leest dan de brief die ze me schreef, vouwt de bloem erbij.
Ze sluit de enveloppe die ze tenslotte dichtbindt
met een dun draadje linnen.

“Ik heb je,
lief”

 

breken

Ze zag —ze zat op de stenen vloer—

zijn gift was bedachtzamer, alsof

het wist wat het breken kon, alsof

het de tijd als een droef licht droeg

dat, desalniettemin, licht was.

 

Ze zag —ze zat op de stenen vloer—

zijn spaarse woorden vaker beschutten, alsof

hij verdween in het geven, alsof

onder de huid alles opgelost was en dat

dat niet volstond. Ze zag en dacht en zag ook

hoe hij de ceiba-met-de-strik groette.

 

Ze bemint hem.

Ze draagt zijn stem als een huid.

Ze weet wat ze breken kan.