breken

Ze zag —ze zat op de stenen vloer—

zijn gift was bedachtzamer, alsof

het wist wat het breken kon, alsof

het de tijd als een droef licht droeg

dat, desalniettemin, licht was.

 

Ze zag —ze zat op de stenen vloer—

zijn spaarse woorden vaker beschutten, alsof

hij verdween in het geven, alsof

onder de huid alles opgelost was en dat

dat niet volstond. Ze zag en dacht en zag ook

hoe hij de ceiba-met-de-strik groette.

 

Ze bemint hem.

Ze draagt zijn stem als een huid.

Ze weet wat ze breken kan.