de wilde paarden

Vandaag laten we de wilde paarden rijden.

Vandaag spannen we ze voor
de strijdkar van de liefde. Ze zullen briesen,
hun spieren zullen zowat de touwen afklemmen,
zweet zal parelen, stomen, klammen, huid zal glanzen,
het zal vooral bergopwaarts gaan -
vandaag.

Maar eerst.
Een kusje.
Een beetje klieren van de schaduw tot de zon.
Drankjes koken met kaneel en vanille.
Op onze knieën, ondergedoken ondergedompeld. 

Dronken gaan we later de straat op.
En die zal leeg zijn.

Er zal niemand zijn.

Ondertussen.
Ondertussen drukt schouderbreed blad onverstoorbaar
de hor stuk. Vol. Vol sap.
Loom als kracht.
Onaf als af. Of, hoe te zeggen, ‘onderweg’.

We overwoekeren vanzelf.

Zo zal het gaan. We sluiten de ogen.
We hangen omarmend, ingedraaid in polsdikke
stengels, vrij van grond en wolken.
Tot hoefgetrappel komt; tot stofwolken ontploffen,
van de grond, zwarte manen onder ons golven. 

Er zal niets zijn.

Alleen de gedachte van drankjes,
met vanille en
kaneel.