Op de rand

Ze zit op het strand, met haar ogen gesloten.
Ze heeft gelopen, vond zeven poppenbenen,
drie armen en een poppenhoofd dat met losgetrokken haren
en uitgestoken ogen op een stok gestoken was;
vast kinderen. 

Nu ligt het naast haar. Haar armen langszij,
zo dat de palmen windstilte vangen tussen huid van hand en heup.
Golven slaan achteruit, onder haar. 

Ze opent haar ogen, laat haar handen
langs de poppendelen gaan. Thuis is verdrinken
in wat klein en veilig was, wat omringde, geleend
van hoop, gekoesterd in oorlogsjaren en dan
in stilte toch nog ontploft. Thuis is lege kamers waar bij
elke stap messen in haar hielen spiezen. 

Ze wrikt, ze draait de delen al past het
misschien niet, tot een moeie kleine weer in haar handen ligt.

Ze heeft zo veel gelopen.