De Nacht

Hij rekt. Zijn nek doet pijn. Zij moet daar van huilen.
Daarom bakt hij een cake. Met bosbessen.

Er ligt een kat in onze tuin, die is zo gegroeid
dat zijn poten tegen de voordeur drukken, en
de haren op zijn buik door de spijlen van de poort steken.
Als we naar buiten willen, klimmen we over de kat.
Elke middag voeren we hem vis, krabben we zijn rug.

Ze hebben zestien manieren om elkaar welterusten te zwaaien
Hij steekt een vinger op, zij twee.
Hij steekt zijn duim omhoog, zij geeft het peace-teken.
Voor hij het licht uit doet. Ze zeggen elkaar dan gedag.
Dan klikt hij het licht uit, zegt ‘oeh donker’, omdat ze daarvan
eens lachen moest.

De kat heeft gisteren de buurvrouw gevangen
en met geknakte nek in ons bed gelegd.
Da’s liefde.

Ze slaat de lakens voor hem open, hij legt zijn bril
op de grond, gaat zitten en net voor zijn hoofd het kussen
raakt slaat ze de lakens terug, omdat hij daarvan
eens lachen moest. Dan, in het donker, zeggen ze weer ‘Hallo’.
Zo kort was de tijd van afscheid tot weerzien.
Alsof ze oefenden voor de nacht en morgen weer op te staan.
Om te bezweren dat niets zal breken in de slaapuren.

De kat past bijna niet meer in de tuin
en we moeten de schuifdeuren in de slaapkamer nog repareren.
Nu slaapt hij op het dak waar de muren van kreunen.
We schreeuwen elkaars naam en vrijen hartstochtelijker;
vlak langs de pijn, vlak erlangs.

Want ‘Lachen vlak voor je slaapt is goed’, zegt hij.
Zij knikt, glimlacht, doet haar ogen toe.
Voeten tegen elkaar. Hij belooft niet te snurken vannacht.
Morgen krijgt ze de cake.

Het is nacht. Onze dijen en billen masseren de nek van de kat.
Sirenes klinken steeds zachter op de achtergrond.
De buurvrouw konden we nog wel verstoppen,
maar toen de kat vaker cadeautjes bracht brak de hel los.
Ach, het huis was toch wel gezwicht onder zijn gewicht.
Dwars over het Yucatan schiereiland raast de kat
met grote sprongen tot we diep in de jungle rusten kunnen.

Na enkele uren opent ze haar ogen. Waarvan ze
wakker werd weet ze niet, er zijn zo veel redenen.
Ze zoent hem op zijn billen. Hij is een beetje dik geworden.
Ook zijn billen zijn een beetje dik geworden.
Ze wil er in bijten. Maar beter van niet. Hij snurkt, soms
zacht. Ze gaat naar beneden, schrijft een briefje voor hem,
voor de ochtend. Wat later maakt ze bamisoep.
Dan poetst ze haar tanden, ze wil niet dat ze naar bami ruikt
als ze zo weer in bed kruipt. 

De kat is gestopt met groeien.
We struinen nu drie weken de stranden af. Opgejaagd.
Soms kleverig van het bloed van dieren,
soms droog van het zout van de zee.
Overdag wachten we in de schaduw.
In de nacht eten we.
In de nacht huilen we.

Het is weer licht, ze legt haar hand op zijn hoofd.
Hij is lief. Maar zij is ook lief. Nu hij dichtbij is
Ziet ze dat veel beter. Dat is fijn.

De kat is dood.
Na het groeien kreeg hij zo’n pijn dat we hem naar een dokter aan de rand van de jungle brachten. Een dromendokter. Hij laat ons zien hoe sterven is. Hij laat ons vrijen tot onze harten kleven, hij maakt ons nog naakter. De kat sist. De vloed voelt dat ze verder kan gaan, golven beuken. Schalen klinken. Mannen stampen. Vrouwen gillen. Alles drijft ons dieper in elkaar. De politie zal ons vangen. Onze hoofden zullen afgehakt. Maar nu slaan we onze lijven dieper in de kat. Waar het pijn deed begraven we hartstochtelijk ons leven. De kat is net de maan zoals hij lijden kan.

Als ze de deken over zich heen slaat en haar hoofd rust op het kussen:
‘Waar wás je nou?´. Dan moet ze lachen en de zon schijnt ook al.
Hij gaat werken nu. Hij houdt de wacht. ‘Doe maar niet zoenen,
Ik heb bamisoep op’. Hij zoent haar toch. ‘Tot strakjes bij de koffie’.
Ze slaapt al.

We drijven in de zee.
Met de hoofden naast elkaar.
De één ondersteboven bij de ander.
Om ons heen staat de maan in spiegelbeeld.
‘Zouden wij ook in spiegelbeeld in de maan staan?’
‘Natuurlijk’.
Van de kust klinken sirenes. Ze hebben de kat.
Je huilt. Ik niet.
We kunnen niet verdrinken.

<photo by Birte Person>