Een peer kun je niet eten zonder te morsen.

In de schaal. Peren zijn van verzoekjes gemaakt,
voorzichtig opgestapelde vragen naar de bekende weg.
Of het goed is. Of je gelukkig bent.
Of je blijft, morgen ook nog.

Tussen je lippen. Peren zijn bijna dronken, 
ze sappen dikke verhalen van liefde en minnen.
Verkruimelen op je lippen. Dringen gulzig
naar binnen.

In je hart kan een peer weinig van woorden zijn,
een dikke poef misschien, een gelijke.
In je hart heeft een peer niets te zoeken.
Niets te vragen. Niets te zeggen.
In je hart is een peer alleen maar stil.
Ademt mee. Kijkt je aan. Sluit zijn ogen.
En slaat een arm om je heen.
Zonder te morsen.