De zee

Er dreven eens twee handdoeken in een beek in de stromende regen.
Hij was vaalwit en vlekkig met een pop erop,
zij droeg een lichtroze ruit. De regen was vol maar langzaam.
Ze wisten nog niets van de zee. 

Alhoewel de stroom behoorlijk was ving het riet ze, hier
waar aan de oever eens een jongeman zat die beroemd zou worden.
Alleen hier had een man kunnen huilen toen zijn kind stierf.
Er had een vrouw gezeten hier, die sokjes haakte.
Zonder te weten voor wie. Een meisje van vijftien kreeg hier
een standje van haar vader, vanwege het laten slingeren van lolliestokjes en sex appeal.
Omdat ze al tijden dreven, vergaten ze hun lijflijk verleden.
Dat ze ooit droogden en hingen, gewast werden en aan de lijn geknepen. 

De wereld zweefde hen voorbij. Met volgepakte wolken,
voorbijtrekkende pluimen, stammen en kruinen.
Het gefluister van de oever klonk luider dan het ruisen van het water.
Alles bewoog over hen, langs hen en onder hen.
Ook de zon en de maan trokken aan hen om.
Ze wisten alleen nog niets van de zee. 

Elke kade was waar iemand ooit zat en dacht en sprak en handelde;
getekend met leven, elke korrel zand had meegeschreven.
Hij en zij waren door het bewegen van het water ineengestrengeld
geraakt. Al voelde dat voor hen anders: het water duwde niet zozeer
als dat zijn naar elkaar getrokken werden. Zij stonden stil, de rest trok voorbij. 

De zee. Als laatste trok hen een kust voorbij,
waar kinderstemmen in de branding klotsten en geschiedenissen van hoop
die van verdriet overstemden. Daarna was het stil.
Wolken elleboogden elkaar opzij om dan weer te wijken voor de blik van de zon en de maan.
Dichterbij stopte het bewegen. 

Na verloop van tijd verdrongen zoute tranen de zoete kust-, kade- en oeververhalen.

Alle stemmen van alle beroemde jongelingen, gestorven dochters,
gehaakte hoop en opgesabbelde verwachtingen verdoven in elkaar.
Opgeteld geen kabaal maar stilte, hoorbaar op de achtergrond.
Hij hield haar vast. Helemaal leeggevuld. Alleen tot elkaar.

Enkel het weerklinken van hun eigen verbond.

illustratie van: Théo Gennitsakis