Vrijer

Dappere ikken

wonen met vuur

in het kleine ikken

van treur.

Ze drinken zweet en tranen

tot dronken, tot, tot,

totje hun dromen kunt likken, tot - 

je lach steelt over mijn wimpers

de blik vanbinnen 

- het zachtste stikken,

dichter nog dan dat vrijen.

Je vingers knikken. In jouw blik

vinden dappere ikken,

de virtuose vrijer

waarin je me duwen

jou.