De zon onder

Met haar kin op opgetrokken

knieën zit ze op het schuine deel

van het witte dak

kleedt jouw trouwjurk

met de zon in wolpaarse

jaren van weerstand

is er wind maar niet veel

en verlangen.

 

Haar vingertoppen vinden handen

gedrukt in het cement

mijn stem zonder stem

spreekt me voorbij

prevelt langs haar lijf bijna

de schaduw van het laatste licht

laat haar naakt.

 

Met klappen en schrille schreeuwen

trekt een vlucht papegaaien over

ze staart, vouwt haar benen onder zich

schrijft zonder te kijken

haar eerste brief aan mij.