parfum van varen

Onder de varen en draden dauw gehurkt

bij een plas dat stroompje werd in de zandstraten

van het land waar je naar ruikt.

 

Regenlaarsjes aan had ik

een bootje de deksel van de pindakaas  

jij twee bloemen, Zij en Hij.

 

Verwaaide bloesem stuwde om de boot,

gaf schuimkoppen op het avontuur.

We keken het drijven en hoe

de regen de deksel tot zinken stal.

 

Je kneep mijn hand gegrepen

gaf stem zo eerst Hij, jasmijn, daarna Zij, sedap malam 

vergleed in de zee en nimmer nimmer meer.

 

Ons parfum van varen. Van hoe we waren

toen we nog niet zijn.