welterusten

Toen de rivier haar oever uittrad;

ze legde haar haar half

over haar schouder, trok

een lichtzwart jurkje

en "ik spreek niet luid" in lippen mee. 

De deur scharnierde.

Tweemaal, we waren buiten.

Dan brak de straat.

 

Waar tegels waren kraakte water op.

De verdwaalde ballade van waden

nu we langs etalages

poppen bloot zacht van de grond dreven, ik

"Ik hoor je, ik hoor je hoor,"

verslokte en stotterde. Toch,

ik kon haar hand, in haar hand.

 

De eerste etage, kade haast, dreef af.

Houten boten aan de zakkende zon.

De stroom, die haar schouders 

kleren kleefde, lichaam huid gaf.

Ik suste mezelf in. Dompelde onder.

Ze streelde haar blik naar binnen.

Maande me nader. Onder water.

 

Ik sprak hoe stralen lui licht haar daar.

Hoe stralen lui licht.

Hoe ze.

 

Ik zuchtte,

 

ze zette haar lippen  

zonder tel te missen.