Ik weet alleen

Ik weet alleen

Zonlicht strandt op
het platte witte dak, de boeg vol
op de betonnen wanden
hol en onheilspellend
kraken de stralen de zee
meters lager.

Je vouwt je handen
het papieren bootje.
Ik geef, zeg je, Ik geef.
Zo veel, denk ik.
Zo zacht, zeg je,
Ik geef zo zacht ik kan.

Je slaat je ogen
neer je voeten
branden op dit platte dak.

Maar het barst als het van mijn tong
zelfs, zeg je en je houdt
mijn kin in een hand
om niets nu niets te morsen,
Zelfs mijn lippen breken.
Je bloed flirt dronker op mijn
huid je lacht zonder dans
achter je ogen.

Op het dak zinkt
de stad in deinen boomtoppen.
Je laat het woud
het water waar daar je
boot je landinwaarts vaart,

Ik weet, zeg je, Ik en je zucht
je woorden met zorg, zeg je, Ik weet alleen.

Laat je gaan je kleren je naakte
onweerstaanbaar. Ik weet alleen, je
onderbreekt, je wijst
daar een eindje verder trekken
papegaaien het bootje uit elkaar
voor hun nest
of zomaar.

Wat weet je alleen, hoor ik me verliezen.
Alles wat ik. Je probeert mijn
hand vast te houden. Je stilt me.
De zee de zon de schepen
het breken. Alleen weet ik, je stil je me.
Onder je voeten vouwt het huis ineen.
Vogels schrikken op. Het regent
vouwpapier. Flakkerschaduw om de zon.
Ik draag je in mijn armen alle drempels.

Nu zijn we gehuwd.

Transient