ze regen zich verleden

hij streek de zeilen

het touw blaarde zijn handen

zijn gekromde vingers

in haar hand las het hunker

 

de zon zo hoog

haar schaduw kromp

hij verbrandde zo snel

zijn lippen sprongen

zodra de hare loslieten

 

de droom die ze had

was haar stem bekneld

in zijn naam gesmolten

ze vertelde het hem

onderwijl ze verbond

klom hij in haar ogen

 

met de schemer streelde

ze hem lichter tot

het zacht linnen

haar onderrug drukte