Helen - een sprookje

Zong ze eerst voor de stilte.

 

Zocht ze toen op versleten slippers

en hoop over de oever waar,

zo was haar verteld, tussen

modder parels lagen.

Ze vond er niets. Tot: de kunstelaar

 

in een kromming tegen de zee

meer bast dan man vergroeid

met de wind in weerspraak van zich. 

Ze maakte hem een huis van hem

en elke dag tegen twee thee.

Onbeweeglijk bleef hij, ze zei de luwte,

ze raapte van de grond wat gevallen was, in jaren.

 

Zo gebeurde het dat op een dag:

in dorstig droeven hij gaf wat hij had

wat hij was wat niet veel was; de oudste vloek,

in geboorte gekregen, spat van haar borst,

brak de bast van de kunstelaar. Hij lag daar.

 

Ze zette hem op het schuine

houten bankje onder de klimop

die tot voor kort op hem klom.

Zachte hem, zorgde. En toen hij bij vroeg ze

: "waarom?" Haar stem lavendelde zijn breken;

zijn adem zo zijn blik bogen met het parfum.

 

De kunstelaar struikelde tegen de wanden

van zijn bast die zijn hart geworden was,

zocht en ontweek haar zicht.

 

"Omdat ik kan", vroeg hij en zei

omdat hij kon, omdat het het enige was

dat hij kon.

 

 

Haar hand brandde op zijn buik.

(schilderij van Jarek Puczel)