Knopen

Niets breekt.
Als zware akkoorden vijzen.
Je blik vlijt zich zo je me ziet
in avondjurk langs mijn wang,
leidt mijn dachte hoofd
op de veren. Je vingers langszij,
zeker en schor van de gebaren.

De lijsten glijden van de wanden
fladderen onhandig tot het plafond
strooien foto's als prevelen.
De lakens ritselen knipsels:
je sneed mijn naam in ovalen uitsparing
van elke brief die ik je schreef,
reeg er een sierdeken.

De inkt stempelt het woord op je huid
loopt nooit uit in tranen noch zweet.
Je kruipt, je heet ineen dat je schokkende hals.
De kramp strekt minuten lang,
noemen in een naam.

Je kijkt mijn ogen over, laat je
laatste vraag. Tot het licht kopert.

In je haar vlecht ik rozen en
'ik miste je gisteren,'
je komt nog dichterbij, breekt niets.