Ze werd van mij

Er was een eiland was het verhaal.

Haar grootmoeder had het haar verteld. Toen. Ze zat op een rots, haar handen om haar opgetrokken knieën; ze had nu al drie dagen niet gegeten. De radio gaf de tropische storm een naam: 'Rati'. 

Op het eiland woonde een meisje. Haar moeder was van as, haar vader van bloesem. Het eiland was een vulkaan.

Haar jurk zoog tegen haar huid. In uren zou Rati de kust inlijven. Ze wilden haar verplaatsen met wil goede bedoelingen. Ze zag de zee verspringen, flarden schuim wolken likken. Ze was een anker, had ze zich van liefde omhangen.

Het meisje wreef zich in met zout en zand en wachtte op haar minnaar. Ze lag op het strand, at fruit, het sap droogde langs haar hals een traan. Dan, omhelzing van een schaduw, het eiland drong in haar, dronken van. Dat was elke dag. Maar niet vandaag. Vandaag zou ze het vlees van de geesten zuigen.

Er waren wijze mannen met hun hoofd in haar schoot, druipend zonder taal met tranen, shamannen die haar haar kamde en bleek verlieten vloeken scherven sneden. Sprak ze met lange klanken, haar woorden onvluchtten haar als ze ze sprak. Sprak ze of het waren vragen.

Het meisje plukte aan de rand van de vulkaan de bloem. Ze wreef hem op haar dijen. Het brandde. Ze hield haar hand daar, las de naam op haar huid. Het eiland scheurde. Het meisje vluchtte in de kust haar wildeman haar getemde dier, haar eiland in het eiland. Haar dijen spanden kramp van wanhoop. De schokken drongen. De hitte vrat.

Alles had haar verlaten, zo gelaten. Ze was berookt, besneden. De radio brak en alle stemmen rezen hees in zwepende kolommen in de lucht. Ze bezweek haast onder het gepraat de donderstroom redeneren.

De zee nam, zoals zee neemt, zonder mee te leven. Het eiland bezweek onder het vrijende meisje. De as van haar moeder onder haar voetzolen, bloesem in vegen haar hals. Het eiland brak haar en gaf haar alles om in de allerstilste liefde het eiland te breken. Onder de golven doofde. Van onder spiegelt de zee niet. Ze stierf die dag en spoelde aan in een tweede huid.

Als wolken pakten keek ze recht in het oog. Rati. Alles was weg. Alleen deze rots, zij en wat ze zag. In het oog droogde zee een eiland. Geschonden maar niet gebroken. Rati bracht haar land. De woorden op haar lippen hingen meer dan spreken. In de ruis en in de wolken verdween. Ze stierf die dag niet. Ze werd ook niet geboren.

Het meisje van het eiland nam haar hals. Het meisje van de rots naam haar polsen. Ze spraken alle verboden woorden en werden van mij.