wolken breken

Het was geen huis maar ook geen hut.

 

In de zon.

Kralen tekenen haar huid, ze luistert hoe

het huis verkruimelt. Zonder zich te missen

ligt ze binnen, het vuur flakkert langs haar hals.

De hitte verdooft het zicht tot wazige vlekken

met de hals omsloten zacht al naar zwart blakeren.

 

Het was een foto geweest, zwartwit

zonder klare lijnen ze had zich niet herkend.

 

De hand onder haar huid kon de kramp haast

niet de baas. Ze hadden nog zoveel nachten.

Het zaad lag vochtig op de aarde ze hurkte,

en was de pijn.

 

In de regen.

Spreekt onafgebroken, gebrabbel langs

de palmbladen, de ratelende verhalen

van verval slaan kraters in de schorre aarde.

 

Ze slaat tegen de wand haar hartslag suist

rondom, ze gromt, lost op, breekt van leven.

De namen die ze kreeg, haakten haar huid,

brandden schaamte waar het lachte.

 

Ze borstelt haar haar voor ze naar buiten gaat,

legt zich op het plein precies in de eerste straal

die de wolken breekt.

 

Ze werd het verhaal

haar aangedaan

niet.