Waar de toon

In Menteng, Jakarta, Oost-Indië

Ze viel voor ze gehurkt,
kiezels in haar knieën,
een mechanisch vogeltje zag,
dat hippelde – van de boomwortel
op het stof op de grond.

Een vogeltje met één oog,
uit de holte van het het ander
groeide, waar ooit een koper iris zat,
onkruid, groene draden langs zijn wang.

De vogel had ook een glazen lied dat knapte
vanaf de derde bar vanwaar hij
in scherventonen floot;
wat maar goed ook was want
de melodie sneed haar tot tranen toe.

         In Toho Ku, Playa, Mexico

         Nu is het dertig jaar later,
         hij zet het dienblad op de kruk,
         zijn hand op haar hals
         zonder druk, zonder strelen.

Ze bracht de vogel naar haar kamer
waar het tegen het venster pikte.

De eerste nacht sliep de vogel in haar bed,
de ochtend erop was haar wang beschreven
met dikke vegen, olie gelekte inktzwarte vlekken
de metalen zanger werd direct vastgezet
in een klein rieten kooitje dat hij niet snapte.

       Hij schenkt de koffie (zwart voor hem)
      voor haar met opgeklopte melk,
      een kardemompeul op de bodem
      en kaneel op het schuim. Hij snijdt
      de ontbijtkoek, overschenkt deze
      met crème anglaise.

     Hij spreekt, woord voor woord,
     uit wat hij doet. Hij geeft alles zin.

De volgende dag brak de vleugel,
een dag later de staart en zijn rechterpoot
de melodie bleef enkel zachter
tot slechts de gedachte
en het kooitje open mocht.

      Zijn zinnen verklitten steeds vaker in
      verdwalend staren, de vragen, die
      knappen als de bast van takken
      van de kapokboom
      in de aarden kachel aan de rand van de volière.

Zij zwijgt
al tijden.

Ze sprak haar laatste woord
      anderhalf jaar terug; 'Jou' was het,
      in haar spreken kon je de hoofdletter horen.
In de stilte die volgde bleven
haar tonen wonen,
      ze ruikt ze in zijn koffie,
      ze proeft ze in zijn hand op haar hals
      ze ziet ze in de gebroken vogel
      op de takken van haar
vogelhuis.

fotograaf onbekend