Dank

De poten van het bed laten als laatste,

de fotoalbums als eerste. Hun kleurig vlammen
hangt nog over ons, jaren.
Je verkruimelt je tranen zonder iets ermee
te blussen — om de weg te hervinden. Over
je huid waarin je wil woont in lichterlaaie;
rillend, bezweet, ontregeld, buiten adem.
De lakens vatten vlam, boeken spuiten
pedant letterreeksen — die verlicht.

Niets breekt in de wasemende wierook

van wat zonder ons. Je verontschuldigt
je koude handen onder mijn broeksband
op mijn onderbuik over mijn schaambeen
ik vouw het silhouttenspel uit, in het flakkerende licht
rijkt schaduw hoger dan ik. Ik speel ons
in donkere vlakken van vlammen omkranst,
waar we raken vervloeit het beeld, waar
we helen breken de tegels tot het plafond.

Je lieft "het is maar schijn", wrijft me

troostend hoger, "Hoe meer vergeteld
hoe dichter, klink in me." Ik geef.
Jij geeft. Nu alles bloost doven de sterren

nietig in ons klein geschreeuwde,
"Dank."

Eric Zener, 'surface', olie op doek (60x70)