Dolce far niente

Ze zette haar muziek op
zette zich in de middagzon op
de rand van het bed en
merkte hoe het haakwerk van het
dekbedovertrek haar patroon
haar bedrukt, zich in haar dijen duwt,
haar tekent – al is het tijdelijk.

Ze legde haar handen in
haar schoot, sloot haar hoofd, blik
zwichtend over de huid
voorbij haar polsen
door de stof van haar jurk
langs het sluimeren tussen
huilen en de gewelddadige
rust van lust in de diepdruk
van het handwerk,
ze zag ze wat niet aanraakte;
wat aangegrepen
gesloten blijft.

De melodie, haar melodie,
rustte in de lucht.

Ze hield in haar linkerhand de spiegel
van haar grootmoeder
die nieuwe lijnen om haar ogen
die voor niemand maar voor haar
bedroeven in de aanblik.
Het filigrane metaalwerk bladderde
tot de toppen van haar vingers
er van glinsterden, ze sloot heel even
haar ogen, en rook rendang;
haar oogleden werden zwaarder
bij de opslag.

Ze omklemde haar pols
en knijpt.