Van mij

elke val
verhult
een vlucht

we streken en dreven
in tonen van nevel
met nerven en knoesten
als wervels en kolken
de rotsen, de holtes
onder de wegen

soms spiegels van water
dan scherven van leven

zij
struikelde, schaafde,
kneusde, heel even
lichtte haar hand zijn
zijn lust onder deken
standvastig haar adem

"van mij"

ze legde, ze wiegde,
ze voedde, ze brieste,
ze toog, heulde, brak,
zong haar lof, haar verlies

tot ze ontdaan,
haar toon haast verloren
de lippen gebarsten,
zijn stem tot zich nam

"van mij"

hij
brak zich zijn tijden
de maskerverleiding
te klein nu om buigend te gaan

snakkend naar waarde
de waarheid herscheppend
boog hij zijn licht
om tentakels van wier

de diepe zee schokte
de krakens ontwaakten
de monsters, demonen,
de monddode zonen
het hese relaas
van de van macht
verstoken oceaan,

ontdaan

snakkend ontvielen ons
raadsels, gebaren die ons
tot op hier in dit tronen,
een woning, de kooien,
de toon opgesloten
omdat het
die ander ontbrak

omhelzende zuchten
kantelen drijven
breken nerven
scherven water
plons
klinkt
ons

"van mij"