Vergezicht

Er drijft, waar de wind buigt, een myriade houten handjes:
palm omhoog kootjes gebogen, een vraag meer
een reden, iets dat je niet verliest.

Met ingebeelde zoenen schiepen we diepzeeen
–van verlangen, van verleden, van vergeten–
die we vulden met draadverhalen.

Een voor een regen we de brokstukken aaneen.
We telden de knopen, speelden schaduwspelen
weefden zo het deken van de wildste oceaan.

Het meest stevig bleken de stiltes.

Daar maakten we houten handjes van, die
omhoog kijken, kleven aan de deken, die
soms bij de vingertoppen tikken, die
zonder richting rondzweven, die
getekend door de zon en de regen,
alles wat ons lief is dragen
dat niet te dragen is.