Voldoende

Dromen doe ik nauwelijks.
Niet terwijl ik slaap tenminste.

Alles zweeft voor de brandende zon:
een palmblad, verlicht, stijgt op en
trekt een tros dorre kokosnoten mee.
Het is, een beetje leger, lichter. Elke dag
is minder van steeds meer waarde.
Niets van stof tot stof blijft me bij.
Enkel zo je me vrijt kan ik hier wonen,
het dak brak de dag dat ik je ontmoette.

“De dag na deze baart vandaag,
min een,” je ademwiegt me met,
“En twee erbij. En twee erbij.”
Ik leg mijn hand op je dij,
heb niets meer dan je lief.
Dat is.