Opgeteld

Je telde de dagen, het komen en gaan van de manen,
de golven op het zand, de vader, de schelpen in je jurk,
de jongens, de bloemen op je jurk, de zoenen in de film,
de mannen en de mieren, druk met jasmijnbladen op hun rug,
je telde ze allemaal, maar: af, je telde alles af.

Tot het opgeteld één zou zijn, liep je over wegen door 'tig talen: 
de as, het zonlicht wrijvend in je ogen, de messen in je hielen.
Je sliep licht, droomde van spoken die in oude levens wonen.
Je leerde geen lessen, steelde, gaf, verzorgde, verbond,
vond en brak, je zag je handen leger in je schoot
op de huid van je bovenbenen, voller van krassen
van koppige planten, dan van andere handen.
Je zat vaker starend, woester, stiller. Drie. Twee.
Opgeteld één.

Je legde je hand in mijn nek. Je zoende me, de kralen
van de dagenraad over de zee, de smaak van water, het grafiet
van het potlood  dat geklemd tussen de vezels ligt;
opgeschreven, onthouden, bijgebleven. Opgeteld om te geven.
Er is geen ruimte over, je beweegt met gemak van jezelf naar mij.

De vogels in de bambu  azen op de zaden in het jonge gras.
Je lacht.